Met de onderstaande hyperlinks surf je naar onderdelen die je hulp bieden bij de volgende tekst.

Klik één keer op de hyperlink en sluit na gebruik de vensters.

 

Openingsvensters en hulpbestanden

Communicatie

Interactief ZCN

argumenteren

 

Je beweert iets en je moet die bewering onderbouwen. Dat doe je met argumenten. Het opbouwen van zo’n betoog noemen we argumenteren. Het komt voor zowel in schriftelijke als mondelinge communicatie. De tekst die je spreekt of schrijft, is altijd een persuasieve of directieve tekst. Je wilt immers een mening onderbouwen! Persuasieve en directieve teksten zijn dus subjectieve teksten.

 

Wat geldt nu als argument?

1          Feiten

We spreken van een feiten, als er sprake is van een waarneming die getoetst kan worden: jij nam het waar, nam een ander hetzelfde waar? Die waarneming vinden plaats met behulp van je zintuigen of van apparatuur.

 

We kennen de volgende waarnemingen:

·          horen;

·          zien;

·          voelen;

·          ruiken;

·          proeven.

 

Instrumenten kunnen je bij de waarneming helpen, zoals bij meten en wegen met geijkt materiaal. Als ik zeg dat ik 79 kilo weeg, kun je vaststellen dat deze mededeling juist is. Als ik beweer dat het nu negen graden is, kun je de juistheid van die uitspraak eveneens vaststellen.

 

Bij dat vaststellen m.b.v. instrumenten moet je trouwens wel kritisch zijn. Ik kan wel met de weegschaal of de thermometer geknoeid hebben, waardoor die niet meer geijkt zijn en dus onjuiste gewichten en temperaturen aangeven! Omdat je niet alle instrumenten kunt controleren, accepteren we feiten eveneens, als coryfeeën op het desbetreffende terrein zeggen, dat ze juist zijn.

 

2        Meningen

 

We onderscheiden hier drie typen in:

 

·           De mening

 

De mening verschijnt achter beginwoorden als: “Ik vind dat”, “Volgens mij” en “Naar mijn mening”. Door deze beginwoorden is wie ze uitspreekt, persoonlijk verantwoordelijk voor zijn uitspraak. Wie zijn mening verkondigt, heeft de morele plicht die te verdedigen met argumenten. Daarbij zijn feiten de beste argumenten.

Voorbeeld mening:

-           “Ik vind het vak Zakelijke Communicatie het belangrijkste vak van mijn opleiding.”

 

·           De veronderstelling

 

De veronderstelling is een mening die een toekomstverwachting inhoudt. Zo’n veronderstelling hoort te worden ingeleid met woorden als:

-           “Naar ik verwacht ....”;

-           “Ik ben ervan overtuigd dat ....”

 

Wat uitgesproken wordt is nog geen feit, maar naar de stellige overtuiging van degene die de uitspraak doet, wordt die uitspraak dat wel. Dat zal hij maar eens waar moeten maken. Ook hier berust bij wie de veronderstelling uitspreekt, de morele verplichting die uitspraken waar te maken. Dat kan hij slechts doen door te laten zien, dat bepaalde trends die een feit zijn, tot het vermelde toekomstbeeld leiden.

Voorbeeld veronderstelling:

“Ik verwacht dat in uiterlijk 2010 al het betalingsverkeer elektronisch verloopt.”

 

·           De stelling

 

Een stelling is een prikkelende uitspraak die een mening bevat. Hij wordt zodanig geformuleerd, dat hij de toehoorders dwingt stelling te nemen: je bent ervoor of ertegen. Ertussenin mag hier niet bestaan.

 

De stelling is geen persoonsgebonden uitspraak, zoals de mening is. De stelling wil algemene geldigheid verwerven. Wie een stelling poneert, moet dat zo doen, dat het lijkt alsof iedereen het met de uitspraak eens is.

 

Voorbeeld stelling:

“Scholen voor beroepsonderwijs moeten leerlingen die weliswaar voldoende scoren op kennis en vaardigheden, maar onvoldoende op hun beroepshouding, een diploma onthouden.”

 

Een stelling voldoet aan de volgende eisen:

·          is belangwekkend;

·          is prikkelend en roept op tot stellingname (er zijn duidelijke voor- en tegenstanders);

·          bevat geen argumentatie;

·          is zo kort mogelijk geformuleerd.

argumentatiefouten

 

Soms uit onkunde of slordigheid, maar soms ook met opzet, gebruiken mensen die redeneren, argumentatiefouten. Waarom zou iemand nu opzettelijk argumentatiefouten maken? Om zijn toehoorders daarmee te manipuleren. Wie een redenering leest, moest dus altijd kritisch zijn.

 

Ik bespreek enkele belangrijke argumentatiefouten.

·          meelopersredenering

 

“Ik vind dat u de cijfers moet verhogen. Iedereen vindt dat immers.”

Uit dit voorbeeld blijkt, dat je zelf geen argument hebt gevonden voor de verhoging van de cijfers. Je verschuilt je achter anderen, nog wel achter “iedereen”. Een slecht argument, hoor.

·          cirkelredenering

 

“Ik vind dat we dat werkstuk best later kunnen inleveren, omdat we immers nog later kunnen inleveren.”

Wie deze redenering kritisch leest, behoeft geen toelichting meer van mij.

·          dooddoener

 

“Zo’n foutje kan de beste overkomen.”

Tja, dat is natuurlijk waar, maar met zo’n opmerkingen maak je elke discussie onmogelijk.

·          mening als feit gebracht

 

 “Ga je vanavond mee naar de bioscoop? Daar draait de beste film die er ooit is gemaakt.”

O ja? Is dat een feit, of is dat jouw mening? Waarop baseer je trouwens die mening? Heb je de film dan al gezien? Als dat het geval is, hoe ben jij in staat deze film in kwaliteit te vergelijken met alle films die daarvoor zijn gemaakt?

·          foutieve generalisering

“Gisteren heeft een Fries mijn fiets gejat. Je ziet wel dat je Friezen nooit kunt vertrouwen.”

Als ik het goed begrijp beweer je nu, dat een heel volk niet te vertrouwen is, omdat een lid ervan iets ongewelvalligs deed. Als je dat echt meent, beweer je dus in wezen ook, dat geen enkel volk, inclusief je eigen volk te vertrouwen is. Bedoelde je dat?

·          valse vergelijking

 

“Als Jan Blommers een goed ondernemersplan kan schrijven, moet jij dat ook kunnen.”

Ik word dus vergeleken met Jan Blommers. Die heeft echter heel andere capaciteiten dan ik heb. De vergelijking gaat dus mank.

·          niet bewezen oorzaak-gevolg relatie

 

“We krijgen vast een strenge winter. We hadden immers ook een schitterende zomer.”

Geologen kunnen niet bevestigen, dat schitterende zomers automatisch gevolgd worden door strenge winters. Je probeerde ons dus maar iets wijs te maken!

·          oneerlijke reden

 

“Mijnheer, ik kon gisteren mijn repetitie niet leren, want ik was gisteren jarig.”

Ik neem aan dat je allang van tevoren weet, dat je jarig bent. Je had dus ruimschoots de tijd je repetitie te leren. Neem je grootje in de maling!