Werken aan terugdringen voortijdig schooluitval

12 november 2008
 
Te veel leerlingen in het mbo en het voorgezet onderwijs verlaten voortijdig, dus zonder diploma, de school. Vorig jaar waren dat er 53.000, een aantal dat de komende jaren drastisch omlaag moet. Edu'Actief heeft leermiddelen die daarbij helpen. Uitgangspunt is dat de leerling centraal staat en dat zijn of haar mogelijkheden op een positieve manier worden verkend en uitgebreid. Dat is belangrijk want negatieve ervaringen kunnen het leerproces ernstig belemmeren of in het ergste geval leiden tot voortijdige uitval.
 
De leermiddelen van Edu'Actief zijn ontwikkeld om het zelfvertrouwen, het doorzettingsvermogen en de zelfstandigheid van de leerling te vormen. Gaandeweg worden aangeleerde vaardigheden gemeten zodat de docent het lesprogramma steeds kan afstemmen op de individuele leerling, maatwerk dus. Dat stimuleert en maakt enthousiast. Uiteindelijk gaat het er toch om dat leerlingen straks volwaardig kunnen participeren in onze (multiculturele) samenleving. Dat kan alleen als de leerstof op school uitdagend en verrassend is en blijft. Met die positieve insteek helpt Edu'Actief mee aan het verminderen van voortijdig schooluitval.
 
Meer weten?
Achtergronden en feiten over voortijdig schooluitval in Nederland
De komende vier jaar moet het aantal scholieren dat zonder diploma uit het voortgezet onderwijs of het mbo vertrekt, zijn teruggebracht van 53.000 (het afgelopen schooljaar) tot 35.000 per jaar. Het aantal voortijdig schoolverlaters in de leeftijdsgroep van 18-24 jaar mag in ons land over twee jaar ten hoogste 8% van het totaal aantal leerlingen bedragen. Ook moet dan 85% van de 20-24 jarigen een startkwalificatie hebben. Dat is nu nog 75%. De reeds gepleegde inspanningen om voortijdig schooluitval te verminderen, werpen geleidelijk aan wel vruchten af, maar de kloof met de doelstelling is nog steeds groot.
 
35.000 mbo-leerlingen verlaten de school voortijdig zonder diploma. Dat aantal staat gelijk aan bijna 10% van het totaal. Bij het voortgezet onderwijs is de uitval 2%, altijd nog 18.000 leerlingen. In het voortgezet onderwijs hebben 11.000 voortijdig schoolverlaters geen enkel diploma, 7.000 leerlingen haken af nadat ze een vmbo-diploma hebben gehaald. Het risico van uitval is hoog op het laagste niveau van het vmbo en bij leerlingen die vanwege leerachterstanden extra ondersteuning nodig hebben. In het mbo vallen veel leerlingen uit op de twee laagste niveaus.
 
Ruim de helft van alle diplomaloze leerlingen uit het vierde leerjaar van het vmbo stapte over naar het mbo. Daar lopen ze vervolgens een verhoogde kans op uitval. Een klein deel van die leerlingen heeft dan wel een opleiding op mbo-niveau voltooid, maar dat is te weinig voor een diploma.
 
Bij het speciaal onderwijs en het praktijkonderwijs verlaten per jaar in totaal 6.000 leerlingen de school zonder diploma. Zij vormen een kwetsbare groep die de afgelopen jaren in omvang is toegenomen. Ook het aantal vmbo-leerlingen met een indicatie voor leerwegondersteuning neemt toe. De afgelopen tien jaar is het aantal leerlingen dat tot een van de zorgcategorieën behoort (leerwegondersteuning, praktijkonderwijs, speciaal onderwijs) bijna verdubbeld.
 
Leerlingen op grote scholen voor voortgezet onderwijs lopen geen grotere kans op uitval dan leerlingen op kleine scholen. Wel is er een verhoogd risico van uitval op scholen voor voortgezet onderwijs met veel niet-westerse allochtone leerlingen. Een kwart van de 18.000 voortijdig schoolverlaters heeft een niet-westerse achtergrond. In het mbo geldt dat voor 10.000 van de in totaal 35.000 voortijdig schoolverlaters. Hier is de drempelloze overgang van vmbo naar mbo een extra complicatie want 4.200 van de 10.000 leerlingen heeft geen enkel diploma.
 
De uitval van leerlingen uit eenoudergezinnen is ongeveer twee keer zo hoog als die van kinderen uit gezinnen met twee ouders. Ook kinderen van laag opgeleide ouders en uit gezinnen waar de ouders niet werken lopen een groter risico van uitval. Zowel in het voortgezet onderwijs als in het mbo zijn de uitvalcijfers in de vier grote steden ongeveer twee keer zo hoog als die in kleinere gemeenten. Dat wordt mede veroorzaakt door het feit dat in de vier grote steden veel niet-westerse allochtonen wonen.
 
Bron: Gebaseerd op het rapportage Sociaal Cultureel Planbureau.